Good reads

 

2010 - Trendrapport Computer- en Internetgebruik 2010

Managementsamenvatting
 
 
Het proces van volledige toegang tot computers of het internet kan men zien als een proces van vier achtereenvolgende fasen. Motivatie is de drijvende kracht om computers en het internet überhaupt te willen gebruiken. In het vorige trendrapport werd geconstateerd dat in vergelijking met andere landen de motivatie om computers en internet te gebruiken in Nederland zeer hoog is. Er is echter een minderheid van ouderen en lager opgeleiden die niet voldoende gemotiveerd is om toegang te verwerven tot het internet. Bij degenen die het internet nog nooit gebruikt hebben (9% volgens het CBS in 2009) is desinteresse veruit het belangrijkste reden, gevolgd door het gevoel te oud te zijn om er nog mee te beginnen, onvoldoende vaardigheden bezitten, het niet nodig hebben en geen tijd hebben. Deze motieven komen relatief veel voor bij ouderen en lager opgeleiden. Opvallend is dat bij de hoger opgeleide niet-gebruikers niemand zich te oud voelt.
 
Een belangrijk onderzoeksresultaat bij de niet-gebruikers is dat slechts 15,3 % aangeeft het internet in de toekomst nog te willen gaan gebruiken (bij de 6,5% van de niet-internetgebruikers die gestopt zijn met het gebruik van het internet is ruim de helft niet meer van plan naar het internet terug te keren). Hier naderen we de slinkende harde kern van mensen die echt niet willen of kunnen. Deze kern bestaat voor een deel uit functioneel of volledige analfabeten die echt niet mee kunnen.
 
Bij degenen die het internet wel gebruiken wijzen de motivaties erop dat het internet nog steeds primair een informatiemedium is. Het internet als communicatiemedium (interactie) en vermaaksmedium is in opkomst. Verklaringen hiervoor vinden we in de opkomst van bepaalde toepassingen zoals de sociale netwerksites, het gebruik van e-mail (de meest gebruikte toepassing), vrij surfen of browsen en online gamen. Er zijn geen grote verschillen tussen mannen en vrouwen bij de algemene motivaties om het internet te gebruiken. Bij de verschillende leeftijdsgroepen zijn wel algemene verschillen aanwezig. Hoe jonger men is, hoe meer men het internet wil gebruiken voor vermaak en ontspanning. Jongeren willen het internet ook meer gebruiken voor carrière en groepscommunicatie. Het grootst zijn de verschillen echter bij de opleidingsniveaus. Hoger opgeleiden gebruiken het internet iets meer voor informatie in het algemeen. Zij willen het internet ook meer benutten voor hun carrière en voor transacties. Lager opgeleiden willen het internet duidelijk meer gebruiken voor vermaak en ontspanning en voor groepscommunicatie.
 
Wanneer men voldoende motivatie heeft om de digitale wereld binnen te stappen moet men fysieke toegang zien te verwerven. Ondanks dat in Nederland de fysieke toegang tot computers en internet zijn verzadigingspunt bereikt is er nog geen sprake van volledige dekking. Zowel bij computerbezit als bij internettoegang thuis blijven lager opgeleiden en vooral senioren achter. Bij internettoegang is er 12% verschil tussen hoger en lager opgeleiden en 35% verschil tussen 65-plussers en 16-35 jarigen. Naast motivatie zal dit verschil ook te wijten zijn aan een verschil in vaardigheden. Bij de toegang tot computers en internet is de thuisaansluiting de laatste jaren steeds belangrijker geworden. Gebruik elders betekent steeds meer een tweede of derde aansluiting. Daarom blijven additionele aansluitpunten en wireless faciliteiten in publieke ruimten en gebouwen, ook die van de overheid van groot belang.
 
Wanneer men eenmaal toegang heeft is het noodzakelijk om voldoende digitale vaardigheden te ontwikkelen waardoor werken met computers en het internet goed en zinvol verloopt. Het betreft een aantal vaardigheden die maar ten dele in de traditionele media zijn opgedaan. Het gaat om operationele vaardigheden (‘knoppenkennis’), formele vaardigheden (werken met bestanden, browsen en navigeren), informatievaardigheden (informatie zoeken in computerbestanden en op het internet) en tenslotte strategische vaardigheden. Dit laatste is de capaciteit om computers en het internet als middel te gebruiken voor een bepaald persoonlijk of professioneel doel. Deze vaardigheden zijn nodig voor een volwaardig gebruik van computers en het internet. Uit een reeks van prestatiemetingen aan de Universiteit Twente blijkt dat Nederlanders redelijk scoren op operationele en formele internetvaardigheden. Zij presteren echter aanzienlijk lager op informatie en strategische vaardigheden. De medium-gerelateerde operationele en formele vaardigheden zijn een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor de inhoudelijke informatie en strategische vaardigheden. Dit betekent dat als ouderen voldoende operationele en formele vaardigheden bezitten zij ook voldoende kunnen scoren op informatie en strategische vaardigheden dankzij de kennis en wijsheid die zij in hun leven hebben opgebouwd. Het betekent ook dat 16-35 jarigen met hun hogere niveau van operationele en formele vaardigheden niet automatisch hoog scoren op de inhoudelijke vaardigheden. Daarvoor is een combinatie van onderwijs en zoek- en keuze-vaardigheden voor het internet noodzakelijk. Opvallend is dat internetervaring alleen een positieve invloed heeft op de medium-gerelateerde vaardigheden. De inhoudelijke vaardigheden worden niet beter door een groter aantal jaren ervaring met het gebruik van het internet. Verder is er geen effect gevonden van het aantal uren dat men online op het internet doorbrengt op zowel de medium- als inhoudelijke internetvaardigheden. Internetgebruikers ontwikkelen al doende niet automatisch betere operationele en formele vaardigheden. Waarschijnlijk persisteren zij in de vele dwaalwegen of omwegen die zij dagelijks maken.
 
Wanneer het gaat over soorten van toepassingen kan worden geconcludeerd dat het internet nog steeds in de eerste plaats wordt gebruikt als informatiemedium. Het internet als communicatie- (social media) en als transactiemedium (internetbankieren, online shoppen en websites zoals marktplaats gebruiken) is in opkomst. E-mail was vanaf het begin al een van de belangrijkste internettoepassingen maar daarbij komt nu de sterk stijgende populariteit van sociale netwerksites als Hyves, Facebook en LinkedIn. Deze nemen een deel van het e-mail verkeer weg. Bij transacties zien we het snel stijgende gebruik van internetbankieren en van marktplaatsen. Ook vermaakstoepassingen mogen zich over een groeiende belangstelling verheugen. Behalve het van het begin af aan populaire vrije surfen zien we hier de snel stijgende populariteit van online gamen. Het downloaden en uploaden van audiovisueel materiaal is niet zo overheersend als de vele discussies over copyright in de publieke opinie doen vermoeden. Op enige afstand volgen duidelijk minder populaire soorten gebruik: maatschappelijke participatie in online fora en communities, educatie en werk. Telewerk en telestudie blijken nog steeds vrij marginale activiteiten. Wat de sociale verschillen in het gebruik betreft is het opvallend dat mannen de meeste toepassingen nog steeds significant meer gebruiken dan vrouwen. Vrouwen gebruiken alleen significant meer sociale netwerksites, sites met gezondheidsinformatie voor patiënten en zelfhulpgroepen. Hoger opgeleiden gebruiken de meeste toepassingen nog steeds significant meer dan lager opgeleiden. Dit geldt in het bijzonder voor informatietoepassingen. Lager opgeleiden gebruiken meer chatboxen, marktplaatsen en online gamen. Nederlanders tussen 16 en 35 gebruiken de meeste toepassingen nog steeds significant meer dan mensen boven de 35 en zeker boven de 55. Dit geldt vooral voor de nieuwere communicatie- en vermaakstoepassingen. 55-Plussers gebruiken vrijwel alle toepassingen significant minder met uitzondering van telewerken.
 
In tegenstelling tot het aantal verschillende toepassingen dat men op een dag gebruikt en de soort van toepassingen zijn de verschillen in gebruiksfrequentie van het internet tussen mannen en vrouwen, hoger en lager opgeleiden en in mindere mate jongeren en ouderen aan het gelijktrekken. Het absolute aantal dagen per week (6,1) en uren op zo’n dag (3,1 uur) dat men internet gebruikt komt neer op een gemiddelde van 2,7 uur per dag. Deze uitkomst is waarschijnlijk te hoog geschat, maar de gebruiksfrequentie is in elk geval sterk aan het stijgen. Internetgebruikers benutten dit medium nu bijna dagelijks (gemiddeld een dag in de week niet). Mannen gebruiken het internet nog altijd meer uren per dag dan vrouwen, maar het verschil is aanzienlijk geringer geworden. Het meest opzienbarend zijn de verschillen naar opleiding en maatschappelijke positie. Lager opgeleiden gebruiken het internet gemiddeld op een dag langer dan hoger opgeleiden: 3,1 tegen 2,6 uur. Dit kan worden verklaard door de gevonden verschillen in gebruik. Bij de lager opgeleiden zijn sociale netwerksites, online gamen, markplaatsen en chatten populair. Het gebruik van deze toepassingen vergt meer tijd dan sessies met betrekking tot het zoeken van allerlei soorten informatie, hetgeen door de hoger opgeleiden het meest wordt gedaan. Werklozen en arbeidsongeschikten gebruiken het internet gemiddeld 4,0 en 4,1 uur per dag terwijl werkzame personen dat gemiddeld 2,6 uur doen. De vrije tijd die men per dag heeft lijkt dus een belangrijke factor te zijn. In elk geval zijn we hier op een belangrijk historisch keerpunt beland. In de afgelopen 20 tot 25 jaar namen de hoger opgeleiden steeds het voortouw met de toegang tot het internet.

Het laatste aspect dat in dit rapport aan de orde kwam is digibewustzijn. Nederlanders lijken zich niet bijzonder veel zorgen te maken om problemen die zich voordoen bij het internetgebruik. De meeste aandacht krijgen zaken betreffende de computer of geld (fraude). Immateriële zaken als de schunnigheid van websites, veiligheid van kinderen en censuur scoren lager. Lager opgeleiden en ouderen maken zich nog de meeste zorgen, met uitzondering van privacy en financiële fraude die door de hoger opgeleiden belangrijker gevonden worden. Dit zijn de juist de categorieën die relatief minder toegang, vaardigheden en gebruik hebben. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt maken 16 tot 35 jarigen zich niet minder zorgen om hun privacy dan oudere generaties. Zij controlerenen ook niet minder naar wie persoonlijke gegevens gestuurd worden dan 55-plussers dit doen.
Ongevraagde e-mails, SPAM en virussen zijn veruit de meest voorkomende vervelende ervaringen op het internet (bijna 40% heeft geen negatieve ervaringen). Gestolen creditcardgegevens en oplichting (op marktplaats en door webwinkel) lijken vaker voor te komen dan men uit de politiestatistieken zou verwachten. Wanneer men de percentages (2,3% respectievelijk 1,6% van de respondenten) zou omrekenen naar de bevolking zou het gaan om een paar honderdduizend Nederlanders. Hoger opgeleiden en de twee jongste generaties hebben de meeste vervelende ervaringen op het internet. De belangrijkste maatregelen die worden genomen zijn die maatregelen die in elke moderne computer met internettoegang zijn geprogrammeerd in de beveiligingsoftware. Zelf herhaaldelijk stappen zetten zoals controle waarnaar persoonlijke gegevens worden gestuurd, het veranderen van het wachtwoord en de installatie van pornofilters (voor kinderen) wordt aanzienlijk minder gedaan. Bij alle maatregelen zijn 16-35 jarigen en en 55-plussers het meest onvoorzichtig op het internet. Hetzelfde geldt voor de lager opgeleiden. Waarschijnlijk komt dit door een algeheel gebrek aan vaardigheden als het gaat om ouderen en lager opgeleiden en een zekere naïviteit en gebrek aan strategische vaardigheden als het gaat om jongeren.
Ouders menen dat hun kinderen op het internet het meest te lijden hebben onder online pesten en pornografische beelden (7,5% respectievelijk 4,5%). Opvallend is dat de meeste ouders het houden bij waarschuwingen in plaats van maatregelen te nemen (blokkeren van websites en tijdslimieten opleggen aan het gebruik).

Please publish modules in offcanvas position.