Digital Inequality

research on skills, uses and outcomes of Internet technology - by Alexander van Deursen

NetvibesLastfmPownceGoogleLinkedin

Twitter

Digitale ongelijkheid in Nederland

Stuk geschreven voor en gepubliceerd in 'ICT, kennis en economie, 2015' van het CBS.

Auteur: Dr. Alexander van Deursen – Universiteit Twente

Introductie
Sinds de opkomst van het internet bestaat er vanuit zowel wetenschappelijke als beleidsmatige kringen aandacht voor ongelijkheden die ontstaan door een onevenredige distributie van toegang tot dit medium. De achterliggende gedachte is dat een ongelijke verdeling van internet toegang resulteert in een maatschappij waarbij mensen die wel toegang hebben bepaalde voordelen genieten die onbereikbaar blijven voor mensen die geen toegang tot internet hebben. Ook anno 2015, waarin internet in grote mate is verspreid onder de bevolking, blijven ongelijkheden en uitsluitingsmechanismen zich manifesteren, sterker nog, ongelijkheden zijn alleen maar groter worden, ook op internet. Dit zal later worden toegelicht. Om de stand van zaken omtrent internet toegang in Nederland goed te kunnen begrijpen, volgen we in dit stuk de stappen weergegeven in het model zoals weergegeven in Figuur 1.

model deursen

Figuur 1. Model van ongelijkheid door toegang tot internet
(geïnspireerd door van Dijk, 2005 en Helsper, 2012)

Bovenstaand figuur illustreert dat er onderscheid gemaakt kan worden tussen verschillende opeenvolgende soorten van toegang tot een technologie vanuit het oogpunt van de potentiële gebruiker (van Dijk, 2005). In deze bijdrage richt ik mij op bezit, vaardigheid en gebruik. Initieel richtte onderzoek zicht vooral op de zogenaamde 'digitale kloof', een dichotome conceptualisering van fysieke toegang tot internet, in bovenstaande figuur weergegeven onder de noemer 'bezit'. Hierbij werd er onderscheid gemaakt tussen zogenaamde 'haves' and 'have-nots'. Diverse recente onderzoeken tonen aan dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden van verschillen in bezit naar materiële verschillen en verschillen in vaardigheden en gebruik (van Dijk, 2005). Bij deze verschillen kunnen we niet meer spreken van een harde tweedeling, de reden waarom ik de term 'digitale ongelijkheid' prefereer over 'digitale kloof'. Figuur 1 demonstreert verder dat bezit, vaardigheid en gebruik van internet kan resulteren in bepaalde voordelen, zowel op economisch, sociaal, cultureel als persoonlijk vlak. Opvallend is dat wetenschappers tot op heden weinig onderzoek hebben gedaan naar observeerbare concrete effecten van internetgebruik, terwijl het in het debat omtrent digitale ongelijkheid toch draait om de vraag 'wie profiteert er nu het meest?'. In het laatste deel van Figuur 1 wordt de relatie tussen online en offline effecten gelegd. Hier gaat het over de interactie tussen digitale en traditionele vormen van ongelijkheid, die voor een groot deel met elkaar corresponderen (Helpser, 2012). Traditionele vormen van ongelijkheid hebben een recursief verband met ongelijkheden op internet. Er zijn bijvoorbeeld economische bronnen nodig voor de aanschaf van een tablet met internetaansluiting, sociale bronnen om verbinding te maken en internet te gebruiken, en culturele bronnen om wegwijs te worden in de enorme hoeveelheid informatie die internet vertegenwoordigt. Wanneer iemand deze bronnen tot zijn beschikking heeft en zodoende volledige toegang tot internet geniet, kunnen deze bronnen weer worden versterkt, bijvoorbeeld door via internet producten goedkoper aan te schaffen, een betere baan te vinden, het sociale netwerk uit te breiden, of door meer kennis te vergaren. Mensen die achterblijven op een van de fasen van toegang tot internet zullen deze voordelen niet of in mindere mate behalen. Gevolgen hiervan in de offline sfeer zijn bijvoorbeeld het niet kunnen boeken van (reeds volgeboekte) vluchten en (uitverkochte) concerten, het mislopen van (vergeven) banen of potentiële partners.

Tenslotte zien we in Figuur 1 hetgeen in digitale kloof onderzoek de meeste aandacht krijgt: indicatoren die van invloed zijn op de soorten van toegang en op digitale en sociale ongelijkheid. Dit is een breed en divers palet aan indicatoren, waarvan geslacht, leeftijd, opleiding en inkomen de meeste aandacht krijgen omdat zij zich bijna altijd als significante voorspellers optreden. Elke toegangsvorm weergegeven in Figuur 1 kan andere indicatoren hebben. Het is bijvoorbeeld zo dat verschillen in geslacht klein zijn wanneer het gaat over vaardigheden, terwijl er duidelijke verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan wanneer we letten op het soort internetgebruik. Ook hoeft het uitvoeren van een bepaalde internetactiviteit niet automatisch te leiden tot het behalen van het corresponderende voordeel. In het volgende deel zal ik kort de stand van zaken in Nederland toelichten betreffende internet bezit, vaardigheid, gebruik en effecten.

Bezit
Bezit is een vereiste voor volledige toegang tot internet. Het gaat hier over toegang hebben tot een apparaat met een internetaansluiting, zowel als persoonlijk bezit thuis, of om een aansluiting op het werk, school of openbaar gebouw. Zoals deze editie van 'ICT, kennis en economie' laat zien is de fysieke toegang tot internet, ofwel de aansluiting, zo goed als verzadigd. De enige groepen die dit punt nog niet bereiken zijn 65-plussers, niet werkzame personen en mensen met een laag opleidingsniveau of inkomen. Deze groepen zijn echter al jaren aan een inhaalslag bezig. Van Dijk (2005) maakt in de categorie bezit verder onderscheid in materiële toegang, ofwel het bezit van randapparatuur, software of abonnementen die bij sommige toepassingen noodzakelijk zijn. We zien de laatste jaren dat tweede en derde aansluitingen steeds belangrijker worden. Sterker nog, de tablet en zelfs de smartphone lijken in toenemende mate als vervanging van de desktop of laptop computer te worden aangeschaft. Ondanks de mobiliteits- en communicatievoordelen die deze apparaten bieden, moeten we ons afvragen of zij even geschikt zijn als desktops of laptops voor bijvoorbeeld het uitvoeren van complexe zoekopdrachten. Voor senioren bleek de tablet hiervoor in ieder geval minder geschikt dan een laptop (van Deursen, Stegeman & Gosselt, forthc.). In termen van ongelijkheid zien we dikwijls dat mannen op alle apparaten meer gebruik maken van internet dan
vrouwen. Daarnaast hebben jongeren meer toegang tot internet via mobiele apparatuur in vergelijking met ouderen, die juist relatief vaak een desktop of laptop computer gebruiken. Hoger opgeleiden gebruiken alle apparaten significant meer dan lager opgeleiden, met uitzondering van internet via de TV of spelcomputer. Tevens hebben hoger opgeleiden relatief vaak meerdere apparaten in hun bezit, een observatie die voor een groot deel toe te kennen is aan hogere inkomens.

Vaardigheid
Na bezit dient zich een volgende vorm van toegang tot internet aan, namelijk internetvaardigheid. Van Deursen and van Dijk (2009-2015) hebben in de afgelopen jaren uitgebreid onderzoek gedaan naar de internetvaardigheden van de Nederlandse bevolking. Zij maken in hun observaties onderscheid tussen zes verschillende typen van vaardigheden: operationeel (knoppenkennis), formeel, informatie, communicatie, content creatie en strategisch (van Deursen & van Dijk, 2010, 2011; van Dijk & van Deursen, 2014). Door naast vaardigheden met betrekking tot gebruik van een medium ook vaardigheden betreffende de aangeboden inhoud te definieren, vermijdt deze typologie een technologisch-deterministische visie en wordt tevens duidelijk gemaakt dat er tussen de vaardigheden een sequentieel en conditioneel karakter heerst. Zonder operationele vaardigheden komt men bijvoorbeeld niet toe aan het in de praktijk brengen van informatie vaardigheden. Ook benadrukt de definitie het actieve karakter van internetgebruik, dat in vergelijking met de relatief passieve traditionele media groter is.

De betrouwbaarste manier om vaardigheden te meten is het uitvoeren van prestatiemetingen.Deze zjin echter duur en tijdsintensief. Van Deursen en van Dijk (2010, 2011) wierven respondenten via een gestratificeerde en gerandomiseerde steekproef waardoor deelnemers aan door hen gehouden prestatiemetingen systematisch verschilden in geslacht, leeftijd en opleiding. In totaal moest elke deelnemer diverse opdrachten uitvoeren met behulp van het Internet. Een groot aantal opdrachten werd niet succesvol voltooid. Operationele en formele vaardigheden bleken het minst problematisch, terwijl informatie- en strategische vaardigheden door een groot deel van de proefpersonen niet voldoende werden beheerst. Momenteel vinden prestatiemetingen plaats naar communicatievaardigheden. In termen van indicatoren beschreven van Deursen, van Dijk en Peters (2011) enkele belangrijke bevindingen. Zij concludeerden eerst dat opleidingsniveau de sterkste voorspeller is, zowel voor operationele en formele vaardigheden als voor informatie en strategische vaardigheden. Omdat prestaties op de operationele en formele vaardigheden sterk bepalend bleken voor prestaties op informatie en strategische vaardigheden werd er naast het directe effect op van opleiding ook een indirect effect vastgesteld. Naast opleidingsniveau speelde leeftijd een belangrijke rol. Jongeren worden veelal geassocieerd met frequent en vaardig Internetgebruik. Ouderen daarentegen worden bestempeld als onvaardig. Leeftijd vertoont inderdaad een negatieve relatie met het niveau van de operationele en formele vaardigheden. Jongeren presteren hierop veel beter dan ouderen. Echter, het niveau van de informatie en strategische vaardigheden bij jongeren is precair. Dit werd recentelijk nog eens bevestigd bij prestatiemetingen op de basis- (van Deursen, Goerzig, van Delzen, Perik & Stegeman, 2014) en middelbare school (van Deursen & van Diepen, 2013). Leeftijd vertoonde een direct positief effect op informatie- en strategische vaardigheden. Dit impliceert dat naarmate mensen ouder zijn, hun informatie- en strategische vaardigheden groter zijn. Helaas wordt dit effect dikwijls tenietgedaan door gebrekkige operationele en formele vaardigheden omdat zij hierdoor nauwelijks toekomen aan het presteren op informatie en strategische vaardigheden. Dit toont tevens aan dat een tekort aan vaardigheden niet is opgelost wanneer de huidige oudere generatie niet meer bestaat, een constatering die nog eens versterkt wordt met het gegeven dat de hoeveelheid internetgebruik of internetervaring nauwelijks bijdragen aan het vaardigheidsniveau, met uitzondering van operationele internetvaardigheden.

Vaardigheidsonderzoek via surveys levert minder valide resultaten. Desondanks levert dit type onderzoek belangrijke inzichten. Waar deze metingen minder geschikt zijn voor het bepalen van absolute niveaus van vaardigheden, geven zij wel een goede weergave van verschillen tussen groepen en van niveausveranderingen over tijd. Bij operationele en communicatievaardigheden zien we bijvoorbeeld dat de (zelf geschatte) niveaus de afgelopen jaren licht zijn toegenomen. In een recente publicatie (van Deursen & van Dijk, 2015) wordt tevens gesproken van een relatief snellere toename van operationele vaardigheden onder 55-plussers, een belangrijke bevinding wanneer we dit koppelen aan de zojuist gedane constatering dat ouderen op informatie en strategische vaardigheden beter zullen scoren dan jongeren wanneer zij een voldoende niveau van operationele vaardigheden bezitten. Tekorten aan internetvaardigheden kunnen onder andere worden verholpen door het inschakelen van informele (familie en vrienden) of formele bronnen (collega's, helpdesk, computerexperts en cursussen of trainingen). Recentelijke bevindingen (van Deursen & Helsper, in press) laten zien dat juist diegene die hulp het hardst nodig hebben de minste toegang hebben tot hulp. Zij kunnen zich dikwijls maar tot een bron richten waarbij geldt dat de verkregen hulp dikwijls niet toereikend is, of slechts een kortetermijnoplossing biedt. Het is opvallend dat vrouwen, ouderen en laagopgeleiden vooral hulp zoeken in de informele sfeer, terwijl werkenden en hoger opgeleiden zich vooral wenden tot formele bronnen, meestal op het werk. Daarnaast hebben hoger opgeleiden relatief vaak een training of cursus met aandacht voor internet gevolgd, terwijl lager en middelbaar opgeleiden hiervan juist het meeste profijt zouden hebben.

Gebruik
Het laatste type toegang door van Dijk (2005) beschreven is gebruik. Hierbij kunnen we onderscheid maken in enerzijds frequentie en hoeveelheid gebruik, en anderzijds het soort gebruik. Betreffende hoeveelheid en frequentie hebben we de laatste jaren een sterke stijging kunnen waarnemen. Veel Nederlanders gebruiken internet dagelijks, inmiddels meer dan TV en radio, hetgeen deels verklaard kan worden door multitasking waarbij internet wordt gecombineerd met TV kijken, eten en radio of muziek luisteren. Gebruik van laptops en tablets spelen hierbij natuurlijk een belangrijke rol. Mannen gebruiken het internet langer op een dag dan vrouwen en jongeren meer dan ouderen. In termen van ongelijkheid is het echter interessanter te kijken naar het type gebruik. Internet is in de afgelopen jaren voor steeds meer onderdelen van het dagelijks belangrijk geworden. Toepassingen voor informatie zoeken zijn nog steeds het meest gebruikt. Maar economische toepassingen als internetbankieren, winkelen, marktplaatsen en producten zoeken of prijzen vergelijken zijn ook volledig ingeburgerd. Naast email worden inmiddels ook andere vormen van online communicatie volop gebruikt. Denk hierbij aan de populariteit van sociale netwerksites en online telefonie. Een afname van gebruik zien we bij online discussiefora, bij het zoeken naar overheidsinformatie en bij participatie in politiek en overheidsbeleid. Dit is voor een deel overgenomen door sociale netwerken. Telewerken komt in Nederland ook maar niet van de grond. Daarnaast constateren van Deursen en van Dijk dat internet in Nederland, vergeleken met andere Europese landen, relatief weinig wordt gebruikt voor opleidingen en cursussen.

Vergelijken we het soort van internetgebruik, dan constateren we eerst dat mannen de meeste internettoepassingen nog steeds gebruiken dan vrouwen (van Deursen & van Dijk, 2014). De uitzondering is het gebruik van sociale netwerksites die meer door vrouwen worden gebruikt. Ook hoger opgeleiden gebruiken de meeste toepassingen meer dan lager opgeleiden, met uitzondering van chatten en online gamen dat relatief veel wordt gedaan door laagopgeleiden, al nemen de verschillen hierbij snel af. Verschillen in het soort gebruik van internet hebben belangrijke implicaties en zijn in grote mate bepalend voor wat men uit het internet haalt. Wanneer we de cijfers van de afgelopen jaren aangaande verschillende soorten gebruik naast elkaar leggen, dan zien we een zorgwekkende trend; namelijk dat ook op internet sociale ongelijkheid aan het toenemen is (van
Deursen, van Dijk & ten Klooster, 2014). We zien dat mensen in de hogere sociale klasse zich relatief steeds meer is gaan richten op toepassingen die hun positie in de maatschappij verbeteren. Denk hierbij aan het volgen van een online cursus, of het zoeken naar een betere baan. Deze observatie staat haaks op het vaak geprijsde 'open karakter' van het internet, dat iedereen vooruit zou helpen en een nivellerend effect op bestaande vormen van sociale aangelijkheid zou hebben. Met het volwassener worden van internet zien we juist dat traditionele offline voorkeuren zich verplaatsen naar het internet, inclusief de bestaande vormen van ongelijkheid.

Effecten van internetgebruik
Verschillen in bezit, vaardigheden en gebruik van internet resulteren samen in het (in meer of mindere mate) profiteren van internetgebruik. Wanneer we de constateringen uit voorgaande alinea's doortrekken naar de voordelen die internet te bieden heeft, betekent dit niet alleen dat niet iedereen in dezelfde mate profiteert, maar ook dat de elitaire groep uit de hogere sociale klasse, die altijd al voorop heeft gelopen, steeds meer van internet profiteert in vergelijking met de groep achterblijvers. De relatieve verschillen in gebruik en effecten worden namelijk groter. Daarnaast is het opvallend dat een bepaald type internetgebruik niet automatisch leidt tot het corresponderende effect (zie Helsper, van Deursen & Eynon, 2015). Over de hele linie genomen zien we wel dat er binnen het economisch, sociaal, culureel en persoonlijk domein positieve effecten met internetgebruik worden behaald, bijvoorbeeld een politieke partij hebben gevonden om op te stemmen, beter op de hoogte zijn van overheidsinformatie, of een subsidie, uitkering of belastingverlaging ontdekt hebben. Let wel, dergelijke effecten verschillen aanzienlijk, aangezien verschillen in bezit, vaardigheden en gebruik hier allemaal tot uiting komen. De belangrijkste conclusie van recentelijk onderzoek naar digitale ongelijkheid is dat ook op internet sociale ongelijkheid toeneemt, hetgeen degene die traditioneel toch al worden benadeeld op nog grotere achterstand zet. Helaas dringt deze bevinding onvoldoende door bij beleidsmakers. In discussies over sociale ongelijkheid wordt de rol van digitale technologieën dikwijls over het hoofd gezien.


Referenties

Helsper, E.J. (2012). A corresponding fields model for the links between social and digital exclusion. Communication theory, 22(4), 403-426.

Helsper, E.J., Van Deursen, A.J.A.M. & Eynon, R. (2015). Tangible Outcomes of Internet Use: Conceptualisation and Measurement. From Digital Skills to Tangible Outcomes project report. Available at: www.oii.ox.ac.uk/research/projects/?id=112

Van Deursen, A.J.A.M. & Van Dijk, J.A.G.M. (2010). Measuring Internet Skills. International Journal of Human Computer Interaction, 26(10), 891-916.

Van Deursen, A.J.A.M. & Van Diepen, S. (2013). Information and strategic Internet skills of secondary students: A performance test. Computers & Education, 63, 218–226.
Van Deursen, A.J.A.M. & Van Dijk, J.A.G.M. (2011). Internet skills and the digital divide. New media and society, 13(6), 893-911.

Van Deursen, A.J.A.M. & Van Dijk, J.A.G.M. (2014). The Digital Divide Shifts to Differences in Usage. New Media & Society, 16(3), 507-526.

Van Deursen, A.J.A.M., van Dijk, J.A.G.M. (2015). Internet skill levels increase, but gaps widen: a longitudinal cross-sectional analysis (2010–2013) among the Dutch population. Information, Communication & Society 18(7), 187-195.

Van Deursen, A.J.A.M., Van Dijk, J.A.G.M. & Ten Klooster, P.M. (2014). Increasing inequalities in what we do online. A Longitudinal Cross Sectional Analysis of Internet Activities among the Dutch Population (2010 To 2013) over Gender, Age, Education, and Income. Informatics and Telematics, 32(2), 259-272.

Van Deursen, A.J.A.M., Goerzig, A., Van Delzen, Perik, H. & M., Stegeman, A.G. (2014). Primary School Children's Internet Skills: A Report on Performance Tests of Operational, Formal, Information, and Strategic Internet Skills. International Journal of Communication, 8, 1327-1349.

Van Deursen, A.J.A.M., Stegeman, A.G. & Gosselt, J. (forthc.). Older Adults' Internet Skills: Performance Tests on Desktop Computers and Tablets

Van Dijk, J.A.G.M. (2005). The deepening divide: Inequality in the information society. Sage Publications.

Van Dijk, J.A.G.M. & Van Deursen, A.J.A.M. (2014). Digital skills: unlocking the information society. Palgrave Macmillan.




Add comment


Security code
Refresh