Digital Inequality

research on skills, uses and outcomes of Internet technology - by Alexander van Deursen

NetvibesLastfmPownceGoogleLinkedin

Twitter

De kwaliteit van hulp bij het Internetten

In een recent artikel heb ik determinanten onderzocht van sociale supportnetwerken bij gebruik van internet. Hierbij is niet alleen gelet op de hoeveelheid hulp die iemand tot zijn of haar beschikking heeft, maar juist ook op de kwaliteit van de geboden hulp. Voor dit laatste is weinig aandacht. De studie is gebaseerd op een representatieve steekproef in Nederland. De resultaten tonen aan dat er geen grote verschillen tussen bevolkingsgroepen zijn wanneer het gaat om de hoeveelheid hulp die men tot de beschikking heeft, maar wel in de kwaliteit van de geboden hulp. De gevonden verschillen komen overeen met bestaande vormen van ongelijkheid; er geldt: ‘the rich get digitally richer’.

De bevindingen laten dus zien dat de digitale kloof zich ook manifesteert in de aanwezigheid van hulp bij het gebruik van internet. Degenen die de meeste problemen ervaren hebben ook de meeste moeite om goede hulp te vinden. Hierdoor ontstaat er een nog grotere kloof door verschillen in ondersteuning.

De meest natuurlijke oplossing om hulp te zoeken, namelijk in de directe omgeving, kan dus maar beter worden aangevuld met meer formele hulp. Zo kunnen bijvoorbeeld bibliotheken een rol spelen bij het verbeteren van internetvaardigheden. Het oplossen van een gebrek aan beschikbare ondersteuning (van hoge kwaliteit) is de verantwoordelijkheid van meerdere actoren, onder andere overheden, ICT-industrie, ICT-opleiding, arbeidsorganisaties, scholen en universiteiten, bibliotheken, openbare centra, en user support groepen.

Kick-off 'eskills, key to 21st century labor' project

eskills teamProject team, vlnr: Heleen Kist, Louis Spaninks, Ester van Laar, Alexander van Deursen, Jan van Dijk, Roy Osinga, Jos de Haan

De komende vier jaar ben ik projectleider in een team van twee aio's (Ester van Laar, nnb), twee hoogleraren (Jan van Dijk en Jos de Haan) en consortiumpartners (Heleen Kist, Louis Spaninks en Roy Osinga) bezighouden met e-skills voor de creatieve industrie en hoe deze verbeterd kunnen worden. Human Capital is een verzameling van vaardigheden zoals digitale geletterdheid, creativiteit, kritisch denken, probleemoplossend vermogen, communicatie en samenwerking die mensen inzetten in hun werk en belangrijk zijn voor bedrijven om innovatief en concurrerend te zijn. Hoewel informatie- en communicatietechnologie de afgelopen decennia steeds belangrijker zijn geworden, zijn de vaardigheden om hier optimaal mee om te gaan achtergebleven. Met name digitale vaardigheden – ook wel e-skills genoemd – zijn belangrijker geworden en van fundamenteel belang voor human capital. Wanneer het over de beroepsbevolking gaat, dan wordt vaak de term e-skills gebruikt, maar een eenduidige definitie is niet voor handen: het is wel een term die veel verschillende soorten en niveaus aan vaardigheden behelst. Enerzijds zijn er vaardigheden die te maken hebben met het gebruik van een medium zoals de computer (vaak ook wel knoppenkennis of technische vaardigheden genoemd), anderzijds zijn er vaardigheden die nodig zijn om met de inhoud van het medium te kunnen werken, bijvoorbeeld informatie, communicatie, content creatie, en strategische vaardigheden (ook wel hogere orde vaardigheden genoemd). Samen leveren e-skills een belangrijke bijdrage aan het gehele palet van vaardigheden die onder de noemer human capital vallen.

Digitale ongelijkheid in Nederland

Stuk geschreven voor en gepubliceerd in 'ICT, kennis en economie, 2015' van het CBS.

Auteur: Dr. Alexander van Deursen – Universiteit Twente

Introductie
Sinds de opkomst van het internet bestaat er vanuit zowel wetenschappelijke als beleidsmatige kringen aandacht voor ongelijkheden die ontstaan door een onevenredige distributie van toegang tot dit medium. De achterliggende gedachte is dat een ongelijke verdeling van internet toegang resulteert in een maatschappij waarbij mensen die wel toegang hebben bepaalde voordelen genieten die onbereikbaar blijven voor mensen die geen toegang tot internet hebben. Ook anno 2015, waarin internet in grote mate is verspreid onder de bevolking, blijven ongelijkheden en uitsluitingsmechanismen zich manifesteren, sterker nog, ongelijkheden zijn alleen maar groter worden, ook op internet. Dit zal later worden toegelicht. Om de stand van zaken omtrent internet toegang in Nederland goed te kunnen begrijpen, volgen we in dit stuk de stappen weergegeven in het model zoals weergegeven in Figuur 1.

model deursen

Figuur 1. Model van ongelijkheid door toegang tot internet
(geïnspireerd door van Dijk, 2005 en Helsper, 2012)

Verschillen in offline profiteren van internet

(original source - LsE Ellen Helsper)

Ons meest recente onderzoek zet wederom vraagtekens bij de veronderstelling dat het gebruik van het internet gunstig is voor iedereen. Veel mensen worstelen met het vertalen van internetgebruik in concrete offline voordelen.

Bereikte resultaten*
 graph-tangible-outcomes
*Het gemiddeld percentage deelnemers dat meer resultaten behaalde dan wanneer ze dezelfde activiteit zonder internet hadden ondernomen

Een voorbeeld van een tastbare resultaat is het kunnen vinden van een (betere) baan, kennisvermedering, betere relaties en interacties, lid worden van groepen of organisaties, of het verbeteren van persoonlijk welzijn. Zoals bovenstaande grafiek laat zien, leidt het uitvoeren van een bepaalde online activiteit niet automatisch tot het corresponderende resultaat. Ongeveer 50 tot 75% van de respondenten gaf aan een uitkomst te bereiken die ze zonder internet niet hadden gehad. Het lijkt alsof het bereiken van de voordelen van internet makkelijker is wanneer het economische en individuele aspecten betreft, zeker in vergelijking met culturele en sociale uitkomsten.

Digitale klantenservice - is de burger klaar?

<iframe src="http://www.slideshare.net/projectmanagement_bbp/alexander-van-deursen" width="510" height="420" frameborder="0" marginwidth="0" marginheight="0" scrolling="no" style="border:1px solid #CCC; border-width:1px; margin-bottom:5px; max-width: 100%;" allowfullscreen> </iframe> <div style="margin-bottom:5px">

 

eSkills, wat zijn dat?

Uit voorgaand onderzoek weten we dat vele managers dat het niveau van eSkills van hun personeel overschatten. Reden hiervoor is dat het personeel zich wel lijkt te redden. De gedachte is dat wanneer er toch beperkingen optreden, tekortkomingen kunnen worden gerepareerd. Een grote minderheid van de managers vindt dat hun personeel onvoldoende eSkills bezit. Vaak worden dan oudere werknemers of lager opgeleiden aangewezen. Helaas is het zo dat de hulpbehoevenden het minst beschikken over hulp. Let wel, beleid gericht op eSkills zou op de hele linie van werknemers gericht moeten zijn.  

Internetvaardigheden, wat zijn dat?

In de afgelopen jaren is er een grote verscheidenheid aan digitale vaardigheids-gerelateerde termen gebruikt (internet skills, web fluency, information literacy, online competency etc etc). Helaas was er vaak weinig overeenstemming over wat deze concepten precies betekenen. Daarnaast bleken operationele definities die we in onderzoek kunnen toepassen zeldzaam. Op basis van bestaande concepten en gerelateerde onderzoeksstromen heb ik in 2008 een aanzet gegeven voor een operationele definitie voor internetvaardigheden. Hierin worden vier soorten vaardigheden onderscheiden die samen beschouwd kunnen worden als vereiste voor regulier Internetgebruik.

Internetvaardigheden, Senioren en de Laptop versus Tablet

imagesLJ7XSLZXMet recentelijk afgestudeerd communicatiewetenschapper Anne Grace Stegeman onderzocht ik het niveau van internetvaardigheden van Nederlandse senioren bij het gebruik van laptop en tablet. Mijn vaardigheidsraamwerk (operationeel, formeel, informatie en strategisch) diende als leidraad. De resultaten toonden aan dat het niveau van informatie en strategische internetvaardigheden van senioren relatief hoog is, in tegenstelling tot de stereotype gedachte dat senioren onhandige gebruikers van nieuwe technologieën zijn (zie ook een eerdere blog). Verder begint een steeds groter deel van de senioren zich te verdiepen in muziek, video, games en sociale media. Hierbij speelt de opkomst van mobiel internet op tablets een belangrijke rol. Wel moeten we ons afvragen of tablets en smartphones nu een vervanging of aanvulling zijn op desktop en laptop computers met meer rekenkracht en grotere schermen. Daarnaast kun je je afvragen of dergelijke apparaten internetgebruik makkelijker maken.

De relatie tussen geletterdheid en internetvaardigheid

Zoals ik al eerder heb uitgelegd is internetvaardigheid een multidimensionaal concept. Het betreft onder andere operationele (knoppenkennis), formele (navigeren en orienteren), informatie (zoeken van informatie) en strategische (verbeteren van eigen positie) vaardigheden. Operationele vaardigheden zijn in ieder geval nodig om formele, informatie en strategische vaardigheden uit te kunnen voeren, formele vaardigheden zijn nodig om informatie en strategische vaardigheden uit te voeren, en informatie vaardigheden om aan strategische vaardigheden toe te komen. Er is dus sprake van een sterk conditioneel karakter. Maar hoe zit het dan met traditionele geletterdheid, ofwel het kunnen lezen, schrijven en begrijpen van tekst?
Untitled-2

Sociale ongelijkheid wordt versterkt op internet

Recentelijk berichtte het jaarverslag van de Ombudsman dat ‘er een kloof ontstaat tussen Nederlandse burgers die wel en niet goed zijn met computers’. Zoals uit onderstaande uiteenzetting zal blijken is deze constatering terecht, met de notitie dat er beter kan worden gesproken over graduele verschillen dan over een harde tweedeling zoals het woord kloof impliceert. Aspecten waarin digitale ongelijkheid zich kan manifesteren zijn motivatie en attitude, materiële toegang, vaardigheden, en het gebruik zelf. Vanuit wetenschappelijk onderzoek wordt de huidige situatie in Nederland geschetst (op basis van cijfers uit november 2013).
socialinqua

Dé senior bestaat niet als het gaat over internetgebruik

In een onderzoek dat binnenkort verschijnt in het European Journal of Communication ging ik samen met dr. Ellen Helpser (London School of Economics) op zoek naar digitale uitsluiting onder senioren in Nederland. Het is in Nederland voornamelijk nog een groepje 65+ers die nog niet online is. De belangrijkste conclusie uit het onderdoek is dat het te simplistisch is om deze groep senioren als homogeen te beschouwen, en dus het niet online zijn maar eenvoudigweg toe te schrijven aan leeftijd. Verschillende senioren hebben verschillende redenen voor het niet gebruiken van internet, en indien zij internet wel gebruiken, voor het gebruik van verschillende toepassingen.

Hulp bij het internetten

Vandaag verscheen mijn artikel "Internet Skills, Sources of Support and Benefiting from Internet Use" in het International Journal of Human-Computer Interaction. Het onderzoek dat hierin wordt beschreven had drie doelstellingen:
1. Aan het licht brengen hoe mensen omgaan met een tekort aan internetvaardigheden
2. Communicatieve internetvaardigheden toevoegen aan het raamwerk van operationele, formele, informatie en strategische internetvaardigden
3. De rol van internetvaardigheden bij het profiteren van internetgebruik toelichten.

Internetvaardigheden op basis en middelbare school

Op basis van de internetvaardigheid-prestatiemetingen die ik onder de Nederlandse bevolking heb uitgevoerd, ben ik met enkele afstudeerders de focus gaan leggen op het basis en middelbaar onderwijs. We waren benieuwd hoe internetvaardig deze leerlingen zijn wanneer zij worden getoetst in daadwerkelijke tests (waarin geen gebruik wordt gemaakt van vragenlijsten). De kinderen werden achter een computer geplaatst en gevraagd diverse opdrachten uit te voeren op internet. De onderwerpen van de opdrachten werden aangepast naar de belevingswereld van kinderen. De resultaten van het onderzoek zijn inmiddels verschenen in the International Journal of Communication.

Digitale vaardigheden - boekpresentatie

Vandaag verschijnt het boek "Digital skills, unlocking the information society". Dit boek schreef ik met prof. dr. Jan van Dijk en is bedoeld voor een breed publiek, van beleidsmakers, onderwijzers, ontwerpers, tot eigenlijk iedereen die gebruik maakt van internet. Het boek is in het Engels geschreven en wordt uitgegeven door Palgrave Macmillan. Het raamwerk voor internetvaardigheden dat reeds in diverse wetenschappelijk publicaties verscheen wordt in dit boek uitgewerkt. Vaardigheden die besproken worden zijn: operationeel, formeel, informatie, communicatie, content creatie en strategisch. Dit raamwerk zal ik binnenkort verder toelichten. Naast het geven van een te meten definitie voor elk cluster van vaardigheden worden ook de niveaus besproken onder de Nederlandse bevolking. Aan bod komen de consequenties van een ongelijke verdeling van de niveaus van deze vaardigheden. Tal van adviezen worden in besproken, zowel gericht op ontwerpers als beleidsmakers die verantwoordelijk zoijn voor het aanleren van deze vaardigheden. 

Europees beleid gericht op verbeteren van digitale vaardigheden

eulogoIn een boek over de digitale kloof in Europa schreef ik met dr. Ellen Helsper recentelijk een hoofdstuk over digitale vaardigheden in Europees onderzoek en beleidsnota's. Het hoofdstuk richtte zich naast vaardigheden op toegang tot en gebruik van internet. Toegang kreeg lange tijd alle aandacht in Europese (en nationale) discussies met betrekking tot eInclusion of de digitale kloof. Gelukkig zien we dat veel van de huidige Europese discussies zijn gericht op vaardigheden. Digitale vaardigheden worden beschouwd als een van de belangrijkste variabelen in digitale kloof theorie. Het is goed nieuws dat in Europa de nadruk niet langer alleen op het verlenen van toegang tot internet ligt. Echter, in ons hoofdstuk concluderen we wel dat de meting van digitale vaardigheden nog steeds omstreden en weinig genuanceerd is, zeker als het Europese metingen betreft. Het gevolg van niet valide metingen is dat de evaluatie en doeltreffendheid van beleid gericht op het verbeteren van vaardigheden voor verbetering vatbaar is. Jammer, daar deze vaardigheden belangrijker lijken dan infrastructuur, zeker in de Noord- en West-Europese landen waar toegang haar verzadigingspunt bereikt.